Handboogsport staat al vanaf de eerste Paralympische Spelen in 1960 op het programma. Bij de tweede editie van het evenement viel een Nederlandse afvaardiging voor het eerst in de prijzen. In Tokio veroverde Nederland twee zilveren medailles.
Vier jaar later in Tel Aviv was de oogst één keer goud en één keer zilver. Beide plakken kwamen op naam van Popke Popkema, die het goud veroverde nadat hij een nieuw wereldrecord had geschoten.
Door de jaren heen bleef de Nederlandse handboogploeg medailles oogsten op de Paralympische Spelen. Zo werd in 1972 in Heidelberg zilver en brons gewonnen, in Toronto (1976) goud en brons en in 1980 in Arnhem weer zilver en brons.
Nadat in 1984 in New York nog drie zilveren medailles bij elkaar waren geschoten, werd het in de jaren daarna minder. Jacob Walstra was de laatste Nederlandse handboogschutter die een paralympische medaille wist te veroveren. Zijn zilveren plak van Atlanta 1996 bracht het Nederlandse totaal op veertien medailles.
In Peking was Eliane Salden de enige Nederlandse vertegenwoordiger op het onderdeel handboogschieten. De inwoonster van Rekken strandde in de kwartfinales.